Wandeltour Tram nostalgie Barrio Alto Alfama Castelo de Sao Jorge Belém

 

 

 

Lissabon

 


Évora


Beja

 


Troviscais, Odemira

 


Silves


Albufeira


foto`s Verblijf omgeving Film

 

 

 

Voor foto`s klik hier

Beja

Sinds de Duitse luchtmacht in 1994 haar oefenterrein voor laagvluchten in de buurt van Beja opgegeven heeft, is het niet alleen in de lucht rustiger geworden. Want de nieuwe snelweg loopt langs het stadje, dat behalve met grote zomerse hitte, ook met een paar bezienswaardigheden kan uitpakken. Het eerste hoogtepunt in zijn geschiedenis beleefde  Beja als Pax Julia onder de Romeinen. In de 10de eeuw prees de Arabische schrijver Ahmede Arrazi de stad Buxa, haar bewoners en de vruchtbaarheid van haar velden. Ze was een middelpunt van het geestelijk leven onder de Moorse heerschappij, maar tijdens haar verovering door de Portugezen in de 13de eeuw werd ze volledig verwoest en dan in opdracht van koning Afonso III heropgebouwd.
Pal door het centrum van Beja loopt de as van de burcht naar het klooster. Het voormalige clarissenklooster `Onze-Lieve-Vrouw der Ontvangenis`, het Convento Nossa Senhora da Conceição, overheerst de stad. Het werd tussen 1459 en 1509 gebouwd in opdracht van de ouders van Manuel I, Dom Fernando en Dona Brites. Het standbeeld van de stichster siert het voorplein. Onder Koninklijke bescherming ontstond een van de rijkste en prachtigste kloosters van het land. De talrijke manuelijnse stijlelementen geven het gebouw een lichte en luchtige toets. Bij de ingang staat een met veel talha versierde prachtige kerk. Azulejotableaus uit 1741 met taferelen uit het leven van Johannes de Doper vervolledigen het plaatje. In het midden van het schip staan, nu als museumstukken, twee massief zilveren draagconstructies voor processies. Een ervan is renaissancistisch en stelt het doopsel van christus voor.
De krijsgang bestaat uit vier gangen, quadras genoemd, met unieke tegelmuren. Ook de kapittelzaal ernaast, die dateert uit de tijd van João II, is versierd met indrukwekkende azulejotableaus. De banken zijn opgesmukt met 16de eeuwse, Hispano-Moorse azuleo`s uit Sevilla. Tegenwoordig is het streekmuseum erin ondergebracht. Men kent er schilderkunst, middeleeuwse heraldiek in de wapenzaal en sacrale kunst bekijken. OP de eerste verdieping zijn Romeinse mozaïeken en verscheidene vondsten uit de begraafplaats van Pisões tentoongesteld.
Dicht bij het klooster valt de Igrea Santa Maria da Feira op door de gotische portalen met ronde torens. Het interieur is weelderig versierd in barok en rococostijl. Men vermoedt dat het om een voormalige kerk van Visigoten gaat, die tijdens de Moorse tijd als  moskee gebruikt werd. De kerk werd meermaals verbouwd, maar de aspis en de voorbouw zijn nog West-Gotisch.
De voor een oude stadskern nogal grote Praça da República vormt het centrum van de oude stad. Men kan het plein van deze kant alleen  via smalle steegjes bereiken. Het is de moeite waard om in deze buurt de huisgevels van naderbij te bekijken: wapenschilden, mooie raam- en deurlijsten, Moors aandoende gevels. In een zijstraat van het plein, de Rua dos Mercadorias, kan men een prachtige manuelijns raam bewonderen. De praça, met een mooie pelourinho, wordt in het noorden begrensd door de Igreja da Misericórdia Luis, de zoon van Manuel I, had het gebouw eerst als markthal laten bouwen, maar doordat er later een kapel tegenaan gebouwd werd, werd de hal tot kerk herdoopt. Op de buitenmuren en vier dunne zuilen rusten de negen gewelven van de machtige vierkante hal in prachtige renaissance stijl Het geheel herrinnert nog aan de oorspronkelijke functie van het gebouw.

De Torre de Menagem is de hoogste burchttoren van Portugal. De beklimming ervan is lastig, maar het uitzicht op de stad en het landschap maakt de inspanning ruimschoots goed. In de andere vertrekken is een klein archeologisch museum ondergebracht, net als een verzameling militaire uniformen en wapens uit de 19de en 20ste eeuw. Nog 200 meter lopen door de Rua C. Mendes en men staat voor de Capela De Santo, een van de weinige overgebleven prerromaanse kerken van Portugal. Ze is West-Gotisch van oorsprong en heeft Byzantijns-romaanse kapitelen.

Wandeling in de buurt van Beja

Vanaf de ruïne van het kasteel van Vasco da Gama loopt men, temidden van olijf- en wijngaarden, naar de restanten van een Romeinse villa: São Cucufate. Onderweg, in Vila de Frades, kan mern in de dorpskroeg witte Vidigueira-wijn proeven.


Routebeschrijving en achtergrondverhaal zijn te vinden in de wandelgids:

Foto`s van wandeling bij Vidigueira en mijn verblijf in Beja Sluiten

Wandeling

Welke kant op ??  

Beja

Belem

De naam Belém is de Portugese tegenhanger van Bethlehem. Een voorteken….. Hier vertrok Vasco da Gama op 8 juli 1497 op ontdekkingsreis. Hij ontdekte Indië en vond zo de weg naar China en Japan. De opwinding over de grote ontdekkingen werden vastgelegd in talrijke indrukwekkende monumenten, waaronder het mooiste van heel Lissabon, namelijk het Jeróminoklooster.

Een zondagmorgen in Belém
Niets gaat boven een kleine zondagswandeling in Belém, de plaats waar ooit alle Portugese dromen begonnen. De meeste musea kan je tot 14:00 uur gratis naar binnen. Tram 15 brengt je er rechtstreeks naartoe.

Voor foto`s klik hier  
 
 
Sluiten

 
 

Pastéis de Belém of pastéis de nata.

Een soort rond custerdvlaaitje in een jasje van bladerdeeg en bepoederd met kaneel en suiker. Moet je bij voorkeur lauw eten en ter plekke of onderweg. Op drukke dagen gaan er tot 30.000 van de heerlijke lekkernijen  over de toonbank. Je kunt het smaakproces volgen vanachter een raam. Het recept wordt bewaard in een kluis en is slechts bekend bij drie personen.

Voor foto`s klik hier  
 
Sluiten

Lissabon

Een eeuwigdurende verandering

 
 
Vergeet de oude clichés als je Lissabon wilt begrijpen en beminnen, de Lusitaanse hoofdstad die haar rol van vooruitgeschoven schildwacht dag en nacht waakt aan de poorten van het oude, zo snel veranderde Europa. In amper een kwarteeuw tijd maakte men hier een grote ommezwaai: van het gevoel van wanhoop dat onderhouden werd door fadozangers en gevierde schrijvers, naar de cultus van het hemelse manna dat door de Europese Unie wordt uitgestrooid. De Expo `98 herdacht de 500ste verjaardag van de mythische reis van Vasco da Gama, en Lissabon greep deze gelegenheid met beide handen aan om zich te Vijftien jaar lang werkten hijskranen, graafmachines en betonmolens aan het nieuwe gezicht van het stadscentrum, parkeerterreinen en een vernieuwde metronet.

Oude gebouwen werden in versneld tempo gerestaureerd, de gevels kregen hun kleuren terug, er kwam een nieuwe brug over de Taag, een ultra modern station, zelfs een hele nieuwe wijk: Oriente. Tegelijkertijd kreeg het oude centrum weer de plaats die het verdiende in het stadsbeeld, en Chicado, de meest legendarische wijk van Lissabon, herrees uit haar as – letterlijk dan, want veel bleef er na de brand in augustus 1988 niet van over. Allen de oudere inwonersvan de stad bewaren er nog herinneringen aan, maar de nieuwe generatie heeft de herbouwde wijk in haar hart gesloten en het absolute middelpunt van haar stad gemaakt.
Al eerder was Lissabon zegevierend dergelijk onheil te boven gekomen, maar toen was er gelukkig maar één projectontwikkelaar in het spel: de markies van Pombal die de zieltogende stad opnieuw leven inblies na de drievoudige ramp van 1755. Op die vermaledijde dag – en nog wel op het uur van de mis! – hield een aardbeving gevolgd door een vloedgolf en tenslotte een grote brand lelijk huis in de stad. De markies, geheel doordrongen van de Verlichting, nam het op zich de vernielde benedenstad weer op te bouwen volgens een nieuwe indeling. Gelukkig bleven de omliggende heuvels gespaard, en daar bruist het stadsleven nog steeds en mooier dan ooit tevoren: poëtisch en soms surrealistisch, doordrongen van het aroma van specerijen en kaneel, en met stadsgezichten vol bemoste stenen.
De jaren zijn verstreken en Lissabon laat geen gelegenheid tot verandering (kampioenschap voetbal, Europese voorzitterschap) voorbijgaan, maar toch hebben zowel Alfama als de ‘betere’ wijken nog geheime plekjes weten te bewaren die op je wachten. Vergeet niet, goede wandelschoen en dito voornemens mee te nemen. Laat je niet ontmoedigen door een steiger die je dwarsboomt, een trottoir dat glad van de regen is of een tram die er de brui aan geeft. Er is altijd, dag en nacht, wel een cafeetje of restaurant in de buurt. Als er een stad is waar je je ogen open moet houden is het wel Lissabon, na elke straat hoek wacht iets nieuws. En als de moeheid je overvalt, neem je gewoon de legendarische tram 28: die brengt je van de Bairro Alto naar Graçavia Baixa, dwars door het Lissabon van gisteren en dat van vandaag….

Portugal 2013

Évora

Is een stad met een eigen karakter. De oude kern is bijna volledig omringd door een zorgvuldig bewaarde stadsmuur uit de Romeinse tijd en is een levend museum uit Romeinse, Moorse en middeleeuwse dagen. Évora dankt haar bijzondere charme aan de smalle steegjes en pleinen die laat op de middag levendig worden, aan de huisgevels, smeedijzeren tralies, marmeren bronnen, de artistiek geplaveide straten en trottoirs, de arcaden en kleine cafés. Die rijkdom werd in 1986 door de Unesco op de lijst van het World Heritage (werelderfgoed) gezet. Een wandeling door de stad zou op de Praça do Giraldo moeten beginnen, zo genoemd naar Giralde sem Pavor (Giraldo zonder vrees), die in 1165 de Moren uit de stad verjaagde met een list. Het plein maakte echter ook een van de donkerste episodes uit de geschiedenis mee tijdens de inquisitie, toen er gruwelijke ketterverbrandingen plaatsvonden. Bovendien werd ook hertog Joã0 II van Bragança hier onthoofd. Een geliefd trefpunt in avondlijke uren is de marmeren renaissancebron uit 1571 voor de collegiale Igreja Santo Antã0 uit de 16de eeuw. Een blik op de gevel volstaat.
Aan de westelijke zijde ervan begint de voormalige joodse wijk. De smalle steegjes zijn zo aangelegd dat het uitzicht beperkt wordt, wat ook een soort van defensieve architectuur is. In de huizen zijn nu ambachtskunstwinkels, kruidenierszaakjes, tascas, en uitdragerijen ondergebracht. Als men een van de straatjes links neemt en dan nog wat rondslentert, komt men wellicht bij de markt uit. In de overdekte hal worden vlees, vis, groente, kaas, brood en gebak aangeboden. Bij de koffiekraampjes is het altijd erg druk. Buiten drijven boeren, bloemen en keramiekverkopers handel.
Meteen ernaast bevindt zich de Igrea Realde São Francisco, die tussen 1460 en 1510 werd gebouwd in gotisch - manuelijnse stijl. Binnen is het streng en koel. Door de witte met specie gevoegde steenblokken lijkt het bouwwerk groter dan het in werkelijkheid is. Links ziet men een grafsteen. Daaronder kreeg Gil Vicente in 1536 zijn laatste rustplaats. De goudsmid en dichter schreef de allereerste Portugese toneelstukken, die vandaag nog steeds opgevoerd worden.
Als men niet van griezelen houdt, dan is de 17de eeuwse Capelo dos Osso (beenderenkapel) aan het rechterdwarsschip niets voor u. Het opschrift ‘Nos ossos que aqui estomos, pelos vossos esperamos’( ‘Onze beenderen, hier verzameld, wachten op de uwe’) verklapt de inhoud van de kapal. De muren ervan zijn namelijk volledig bekleed met schedels en beenderen, die door de eeuwen ‘kunstig’ opgestapeld werden.
Voorbij de Igreja de Graça met haar barokke gevel in de stijl van Michelangelo, neemt men de Rua Miguel Bombarde en bereikt men het Largos das Portas de Moura. Het plein wordt gedomineerd door een renaissancistische bron met een wereldbol uit 1556. In de stenen eromheen zijn nog sporen te zien van de touwen waaraan emmers omhooggetrokken werden. Het sierlijke Casa Cordovil doet men de huiveringwekkende Beenderenkapel snel vergeten.
Door smalle, schaduwrijke steegjes en na een korte beklimming bereikt men het belangrijkste gebouw van Évora: de Sé (kathedraal). Met de bouw ervan (1186 – 1290) werd de gotiek geïntroduceerd in Portugal. Twaalf marmeren apostelfiguren bewaken het hoofdportaal tussen twee asymmetrische torens. De linkse vertoont romaanse,de rechtse gotische invloeden. De muren van het interieur doen denken aan de Franciscokerk. Links van de middengang kijkt vanaf het barokke altaar een zwangere ‘Madonna van Ó’op de gelovigen neer. De kerkschat in het museum is zeer fraai uitgestald. Men moet ook absoluut de met tegels beklede toren beklimmen. Het uitzicht op de stad is nergens mooier, en men kan zelfs in de binnentuinen kijken.
Het Musea Regional om de hoek is niet alleen de moeite waard om de archeologische vondsten, schilderijen, keramiek, beeldhouwwerk en volkskunst. Ook het gebouw zelf, het voormalige aartsbisschoppelijke paleis ui de 16de – 17de eeuw met een mooie binnenhof, is bezienswaardig. Over de vlakke binnentrap reden de heren ooit te paard tot op de eerste verdieping.
Het bekendste symbool van Évora zijn de ruïnes van de Romeinse tempel uit de 2e – 3e eeuw. Van de 18 Korintische zuilen staan er nog veertien overeind. Men mag de tempel absoluut niet betreden! Tijdens de middeleeuwen hadden de stadsbewoners weinig respect voor de oude stenen. Ze verbonden de zuilen met muren en richtten binnen een slachthuis in. Maar waarschijnlijk bleef de tempel net daardoor gespaard van de sloophamer.
Het Palácio Cadaval en de Igreja de Sã0 João Evangelista naast de deur, ook Lóioskerk genoemd, mag men zeker niet missen. Ze is jammer genoeg niet altijd geopend. Behalve de 18de eeuwse azulejotableaus vallen ook de Vlaamse, zeer fijn bewerkte grafplaten in de vloer op. Een paar ervan passen zo slecht in de vloer dat ze wiebelen wanneer u erover loopt. Zo wordt men een blik gegund op het gebeente eronder.
In Évora wordt men op een wel zeer realistische wijze aan het eigen vergankelijkheid herrinnerd.
Op zo`n afwisselende voormiddag moet een beschouwelijke namiddag volgen. Een bezoek aan de oude universiteit en een wandeling door de straatjes bieden daartoe alle gelegenheid.
De Antiga Universidade, ten noordoosten van de Sé, werd in 1558 gesticht door de jezuïet Ignatius van Loyola. De renaissancistische gebouwen dateren uit dezelfde tijd. De jezuïeten verzorgen hier het onderwijs, tot de markies de Pombal ze in 1759 het land uitzette. Nu worden de historische gebouwen echter opnieuw als universiteit gebruikt.
Het middelpunt is de binnenplaats met twee verdiepingen en een uitbundig barokke gevel, een uitdrukking van de macht en de invloed van de jezuïeten op het geestelijke en politieke leven toen. De elf lokalen rond de onderste kruisgang (er is een twaalfde zaal aan de rechterdoorgang) werden tussen 1746 en 1749 voorzien van thematische azulejotableaus. Net een wetenschappelijk cursusboek!
In lokaal 106 zijn de twaalf maanden voorgesteld in de vorm van allegorieën op de vergankelijkheid van het leven. In lokaal 107 ziet men theaterscènes, in lokaal 114 toegepaste mathematica, geometrie, astronomie, ballistiek, muziek. DE lokalen 115 en 117 zijn versierd met taferelen uit het Oude en het Nieuwe Testament; lokaal 119 met beelden uit de natuurfilosofie en fysica en lokaal 122 met beelden uit de geografie. In de lokalen 110 en 118 tenslotte ziet men taferelen uit de Bucolica en scènes met Aeneas. Deze epen van Vergilius werden gebruikt in de les Latijn. Bij de ingang van de examenzaal staan vier studenten.
Om het bezoek af te sluiten moet men even het refectorium op de eerste verdieping bekijken. De strengheid van de ruimte met marmeren tafels en eenvoudige tegels in Arabische stijl (zoals in de Jesuskerk in Setúbal) geven een beeld van hoe de studenten en docenten hier ooit leefden.
Het noordoostelijke stadsdeel heeft zijn eigen charme. Daar komen weinig of geen toeristen en ontdekt men het echte Évora. In de steegjes staan wastobben voor de deuren  en hangt de was te drogen boven het hoofd. Honden liggen lui in de zon en laten zich niet afleiden als men eroverheen stapt.
Men wandelt naar het aquaduct op Romeinse fundamenten dat vroeger de stad van water voorzag. Volg hetrichting binnenstad. Men bereikt opnieuw de Praça do Giraldo, waar talrijke winkelstraten samenkomen.
In de Rua 5 de Outubro, die naar de kathedraal leidt, worden antiek en plaatselijke ambachtskunst aangeboden. In de eerste straat links, de Alcárcavo de Cima zijn achter glas resten van de Romeinse stadsmuur te zien. In het ‘O Grémio’, bijna op het eind van de steeg, kan men zelfs eten met de rug tegen diezelfde muur.
Een leuk avondwandelingetje leidt langs de stadsmuur tot aan de kluizenaarswoning Ermida de São Brás. Die werd vanaf 1480 gebouwd uit dankbaarheid voor het doorstaan van een pestepidemie en ter ere van de heilige Blasius. Met de machtige ronde torens in laatgotische – Moorse mudejarstijl komt het bouwwerk bevreemdend over.
Men kan terugkeren door de Jardim Público. De nog bewaarde gebouwen in het park maakten deel uit van het paleis van het koningshuis van Avis. Vasco da Gama zou hier met de koning de details van zijn reis naar Indië besproken hebben. 

 
 

Een rondreis vanuit Lissabon via:



Grotere kaart weergeven

Bairro Alto

In de Bairro Alto zijn de nachten lang

Wanneer het avond wordt
Van de Avenida da Liberdade gaat de kabelbaan, de Elevador da Glória, de heuvel op naar de Bairro Alto. Boven aangekomen ziet men rechts de Miradouro São Pedro de Alcãntara, vanwaar men een fantastische uitzicht heeft over de stad en het slot. Tegenover het kleine plantsoen nodigt de Solar do Vinho do Porto uit voor een aperitiefje. In een beschaafde ambiance kan men zich vertrouwd maken met de grote variatie aan portwijnen en kan men zich op een aangename avond ontspannen voordat de avond begint.
De Bairro Alto is een van de oude wijken van Lissabon. De smalle straatjes zijn nog altijd behouden gebleven, dankzij het feit dat de aardbeving en later de moderniseringswoede hier op de grote hoogte geen schade hebben aangericht. Tot in de tijd van de Marquẽs de Pombal, die hier opgroeide en woonde, was de Bairro Alto een adellijke wijk. Dat is nu nog te zien aan de vele villa`s en stedelijke paleizen met hun tuinen. Doordat de stad zich aan het eind van de 18e eeuw steeds vaker uitbreidde, maakt de Bairro Alto nu deel uit van de centraal gelegen wijken. In de 19e eeuw vestigden de kranten zich hier: de straatnaam Diário de Noticias herinnert daar nog aan. Met de vestiging van de kranten en de drukkerijen ontstond hier ook een tot voor kort nog berucht nachtleven, met talloze cafés, tascas en goedkope restaurantjes. De wijk heeft allerhande vernieuwingen steeds geweerd. Maar in de zomer van 2003 heeft de burgemeester van Lissabon eindelijk enkele centrale straten autovrij gemaakt. Daarmee heeft de Bairro Alto veel gewonnen, want waar vroeger auto`s een belemmering voor de wandelaars waren, staan nu tafeltjes voor eten en drinken in de open lucht.

Fado, Cultuur en Miradouro Santa Catarine
Na het eten duurt het nog even voordat de Portugese nacht echt goed begint. Men kan een wandeling maken door de kronkelstraatjes, waar de klantenlokkers van de Fado-tenten u opwachten. Vaak worden  bezoekers rechtstreeks vanuit de touringcar hierheen gedirigeerd. De kwaliteit van deze etablissementen is niet slecht en ze bieden traditionele muziek, maar reken wel op een forse consumptieprijs die men minimaal moet besteden. De fado vadio
, zoiets als de fado van de straat, vindt men in de Bairro Alto overigens allang niet meer.
De Bairro Alto is ook allang niet meer alleen een nachtelijke uitgaanswijk. Er zijn ook interessante culturele activiteiten. In de Rua São Boaventura 115 is bijvoorbeeld een boekwinkel Ler Devagar gevestigd met een programma van lezingen, films en muziekuitvoeringen (vooral jazz). In deze straat vindt men op nr. 42 ook de kleine in filosofie gespecialiseerde boekwinkel Eterno Retorno, waar vooral lezingen worden gehouden.
Maar misschien wilt men liever een korte wandeling maken door de Rua da Atalia, langs de Elevador da Bica naar de Miradouro Santa Catarina. Hier kan men na de maaltijd een kopje koffie drinken. Het uitkijkpunt is er al vanaf 1883. Centraal staat het beeld van blauw marmer van Adamastor. Ooit was hij de schrik van de zeevaarders, nu waakt hij hier over de Taag.

Culinaire oriëntatie
Voor het avondeten kan men in de Bairro Alto terecht voor een uitgebreid scala aan mogelijkheden, zoals het sympathieke 1e de Maio en het vwat chiquere Pap’ Açorda in de Rua de Atalia. Maar neem ook eens een kijkje in de authentieke Bota Alta, dat hier tenslotte een grote reputatie geniet? Wie er vlak voor 20 uur komt, krijgt normaal gesproken meteen een tafel; wie later komt, moet in de rij wachtende aansluiten. Voor de Portugezen zijn de lange wachttijden overigens een bewijs voor de kwaliteit van het restaurant, zodat ze er vrede mee hebben. Restauranthouders zullen hun gasten heus niet tot sneller eten proberen te bewegen. Wie later komt, wacht maar even.

Plezier tot dageraad
Hoe verder de avonds vordert, des te voller wordt het in de Bairro Alto. Vooral veel jonge Lissabonners komen dan hierheen. Men vindt hier overigens ook interessante mode- en designzaken, die in het weekeide s`avondfs langer open blijven en waar nog laat iets gekocht kan worden. Tegen middernacht kan men eens een kijkje nemen in de Frágil, veneens in de Rua da Atalaia. Echt druk wordt het in deze disco, die nog altijd volop ‘in’ is, pas na een uur of twee. Wanneer men nog meer wilt dan de Bairro Alto, kan men op pad gaan via de Rua do Alecrim naar de nachtcafés aan de Cais do Sodré of vandaar doorgaan naar de allernieuwste discotheken in de Rua 24 de julho en langs de Docas

Nostalgische rit met tram 28

Een bekende grootheid

 
 
De rit begint bij het Cemitério dos Prazeres (Prazeres – kerkhof) in de Campo de Ourique. De  naam van de in 1835 aangelegde kerkhof heeft overigens niets te maken met ‘plezier’ (prazeres). Hier stond vroeger de kapel ter ere van de Nossa Senhora dos Prazeres en naar haar is deze dodenstad vernoemd. Men kan het beste heel vroeg in de ochtend vertrekken, omdat er dan nog plaatsen bij het raam zijn en omdat er dan – met een beetje geluk – nog geen auto`s op de rails geparkeerd staan. Vanwege deze parkeergewoonten van sommigen automobilisten valt nooit te voorspellen hoe lang de rit zal duren: soms zijn er 60 minuten en soms 90 minuten nodig om het eindstation te bereiken.

Door de wijk Estrela
Allereerst voert de tocht door de Campo de Ourique, langs het populaire Café Canas en dan heuvelafwaarts naar Estrala. Aan de rechterkant staat de Basalica de Estrala, die dateerd van de tweede helft van de 18e eeuw. De kerk wordt s`avonds verlicht en is met haar oplichtende witte koepel van veraf zichtbaar. Men begon de bouw de bouw in barokstijl naar het ontwerp van Mateus Vicente de Oliveira, de architect van het slot Quelez. Na zijn dood werd de kerk in classicistische stijl voltooid. De voorgevel wordt geflankeerd door twee klokkentorens. De kerk werd door dona Maria i gesticht; binnen kan men haar mausoleum bezichtigen. Aan de linkerkant vindt men de ingang van het fraaie, goed onderhouden park Jardim da Estrala, dat tussen 18442 en 1852 werd aangelegd. Vooral op warme zomerdagen is het ideaal om even bij te komen of om in het café bij de vijver onder de schaduwrijke bomen van een bica, een espresso te genieten.

Bochtige straten
Dan komt men langs de São Bento met het imposante Palácio de Assembleia da República. In het vroege benedictijnenklooster, waarvan de bouw in 1598 begon, zetel nu het parlement. Door een brand in 1895 heeft het gebouw pas halverwege de 20e eeuw zijn huidige vorm gekregen. Bezoekers mogen alleen de grote vergaderzaal bezichtigen. Er hoort ook een grote tuin bij die niet voor het publiek toegankelijk is. Rondleidingen zijn er alleen voor scholieren.
De tram rijdt door de kronkelstraatjes van de Barrio Alto langs de Largo de Camões met het standbeeld van de beroemdste dichter van Portugal. Als men hier uitstapt, kan men het mooie plaveisel van het plein bewonderen. De tocht voert verder door de Chiado, links is het café A Brasileira te zien. De tram buigt nu af naar de Rua António Maria Cardoso. In deze straat bevond zich vroeger het hoofdkwartier van de geheime politie van Salazar, de zogenaamde Pide. Er is al lange tijd een politieke discussie gaande over de vraag of hier een museum moet komen of luxe appartementen.
Met enig geraas rijdt tram 28 de Baixa binnen. Daar komt men dan ook weer onmiddellijk in contact met de concurrentie van het oude trammetje: de comfortabele, ultramoderne trams vol reclame die met airconditioning zijn uitgerust.

Omhoog naar de Alfama
Vanuit de Baixa begint de ram aan de klim naar het kasteel en de Alfama. Tram 28 perst zich vervolgens door smalle straatjes en passeert op slechts een handbreedte de muren van de huizen. Kleine jongens halen hier halsbrekende toeren uit. Ze hangen buiten aan de tram en springen er pas op het laatste moment weer af.
De tram komt langs de Largo de Santo António da Sé, waar vroeger verliefde paartjes afspraken. De heilige Antonius is per slot van rekening beschermheilige. Bij de stadsfeesten in Juni staat het plein weer in de middelpunt van de belangstelling. Er worden dan aardewerken potjes met majoraan (manjerico) verkocht, als geschenk voor de geliefden.
De Sé Patriarcal, de kathedraal, is aan de rechterkant te zien, voordat men de Miradouro Santa Luzia bereikt. Hier moet men echt even uitstappen: Het uitzicht over de Alfama en de Taag is werkelijk schitterend. Vanaf dit punt kan men omhoog wandelen naar het Castelo de São Jorge, de oude wijk Graça bezoeken of een zwerftocht maken door de kronkelige straatjes van de Alfama.

Info over openbaar vervoer

Mouraria

Wandeling door de Mouraria

Moeizame erfenis
Ai Mouraria, velha Rua Palma, ondeum dia deixei presa a minha alma – ‘Mouraria, oude Rua Palma, waaraan ik op een dag mijn hart verloor’, zingt Amália Rodrigues in een van haar beroemde fado`s. De Mouraria strekt zich uit van de Largo Martim Moniz tot de Costa do Castelo en vormt samen met de wijken Graça en Alfama de oudste stadsdelen van Lissabon. De Mouraria is echter enigszins stiefmoederlijk behandelt. Terwijl in de Alfama al renovaties gaande waren en de traditionele etablissementen een grote bloei doormaakten, raakte deze wijk  aan de voet van de burchtheuvel in verval. Inmiddels is er een groot saneringsprogramma opgesteld, want een groot deel van de woningen heeft geen badkamer of keuken, en enkele huizen zijn al ingestort of staan op het punt dat te doen. Rond de Lrgo Martim Moniz is deze wijk echt verwaarloost. Onkruid woekert in vele hoeken en autowrakken staan er te wachten tot ze worden weggehaald. Maar hoe hoger men over de steile helling omhooggaat in de richting van het kasteel, des te beter ziet het eruit. Men kan zich afvragen waarom er zo weinig is gedaan om deze historische wijk te behouden. De hoofdoorzaak was de vaste huurprijs, die voor de huurders natuurlijk aantrekkelijk was, maar ook tot gevolg had dat de eigenaars niets aan onderhoud deden. Voor hen was het gunstig dat de panden in verval raakten, omdat ze alleen op die manier de oude huurders met hun lage huurprijs kwijtraakten.
De wijk begint in de Largo Martim Moniz. Dit plein is beslist een van de zwakke plekken van de stad en tot op heden is het niet gelukt het op een goede manier in het stadsbeeld te integreren. Daarom staat de Kapel van Senhora da Saude er ook wat verlaten bij. Het kapelletje werd in 1505 gebouwd. Na enkele pestepidemieën werd op 20 april 1570 vanaf deze kapel een processie gehouden ter ere van Nossa Senhora da Saude. Het was de oudste processie van de stad, die vergezeld ging van muziek en dans. Tot 1908 werd deze processie elk jaar gehouden op de donderdag van de derde week van April.
Van de Largo Martim Moniz komt men in de voorheen legendarisch Rua do Capeão. In de nauwe straatjes met smalle geveltjes treft men nog enkele authentieke kruidenierswinkeltjes aan. Hier waren vroeger ook de cafés en eenvoudige restaurantjes, waar bij de muziek van gitaar en piano de liederen van een hopeloos verlangen (saudade) en de misère van alledag weerklonken. In de Rua de Fernades da Fonseca ontmoetten de fadozangers elkaar in een van de beroemdste cafés, waar ook de legendarische Sérgio optrad.Ondanks het verval enerzijds en de verbouwingen anderzijds is de Mouraria nog een pittoreske wijk waar de fado-traditie voortleeft. In deze wijk woonde  in het midden van de 19e eeuw ook de fado zangeres Maria Severa. Haar beroemd geworden affaire met de Conde de Vimisio is zelfs nog verfilmd. Haar huis vindt men op de Rua do Capelão 36. In de Mouraria hingen figuren van twijfelachtig allooi rond, kwakzalvers verkochten er geneeskrachtige drankjes, vrijages vonden in duistere hoekjes plaats en er werden louche zaken gedaan. Pas toen in 1833 de prostitutie aan banden werd gelegd, werd het weer rustig in de Mouraria.

Moorse herinneringen
Van de 12e tot de 15e eeuw was Mouraria de wijk van de Arabieren; ze hadden dit recht gekregen van Dom Afonso Henriques, toen de wijk nog buiten de poorten van de stad lag. Het centrum van dit labyrint was de Rua de Cavaleiros. In 1496 werden de joodse en Arabische wijken afgeschaft door Dom Manuel en gingen er ook christenen in de Mouraria wonen.
In het midden van de 16e eeuw bouwden jezuïeten twee instellingen: het vier verdoiepingen hoge Colégio dos Meninos Órfãos in de Rua sa Moumaria en de Santo Antão-O-Velho in de Rua Marquês de Ponte de Lima. Daar staat nu de Igreja do Socorro, die is gebouw nadatr de vorige kerk volledig was verwoest door de aardbeving van 1755. Door deze natuurramp werden ook enkele andere gebouwen flink beschadigd, maar de structuur van de wijk bleef behouden. Wat ook behouden bleef, zijn vele kleine bars en restaurants. In brochures met bekende restaurants zal men ze niet tegenkomen, maar men kan er zeer goedkoop voor een maaltijd terecht. De eerste resultaat van de sanering van de wijk, die sinds 1981 voortgang vindt, zijn nu te zien. Men vindt er nieuwe winkels, kantoren, woningen, culturele instellingen en het onlangs voltooide hotel Mundial. De Mouraria is door deze renovaties iets levendiger geworden, maar tot nu toe zijn ze nog beperkt gebleven tot de rand van de wijk. De oude structuur van het centrale deel is grotendeel intact gebleven en zal hopelijk ook bij de nog op stapel staande renovaties voor de Mouraria niet verloren gaan.
De Mouraria biedt tal van wandelmogelijkheden. Via de Rua Marquês de ponte de Lima kan men omhooggaan naar de Largo da Rosa, dan via de Calçada do Marquês de Tancos naar de vroegere markt Chão de Loureiro. Een andere route naar de Costa do Castelo bieden vanaf de Largo da Rosa de Escadinhas da Costa do Castelo. Daar gaat men linksaf naar het Teatro Taborda, met een café restaurant en een mooi panoramaterras.

 

Wandeltour

Dag 2 een wandeling door Lissabon.
29 ° : Afstand: 7,1 km

Vertrekplaats: Avenida da Liberdade (metro: Avenida)
Einde: Praça da Figueira (metro: Rossio)

Vanaf het monument van de gevallenen, loop je de Rua do Salitre in om dan linksaf te gaan in de Rua Nova de Sao Mamede en vervolgens terug naar links te gaan in de Rua da Escola Politecnica. Je wandelt dus rond de botanische tuin maar merkt daar niet veel van.

Jardim Botanico
Het ligt weggestopt tussen de huizen en is een van de aangenaamste, romantische groene plekjes. De Jardim Botânico in de rua da Escola Politécnica is niet groter dan 4 hectare, maar door de overdadige en dichte begroeiing helemaal afgesloten van de rest van de stad. Het is een tuin op twee niveaus, verbonden door een brede laan met hoge palmen. Het is er heerlijk wandelen over kronkelende paden, tussen 300 jaar oude platanen en ceders. Er komen weinig mensen en dat is verwonderlijk gezien de pracht en de centrale ligging. Meer info via: www.jb.ul.pt In het park, aan de hoofdingang ligt ook het Natuurhistorisch museum

Miradouro de Sao Pedro
Een van de mooie uitzichtspunten van de stad. Hier krijg je een zicht over de benedenstad en de wijk Alfama met de burcht (amper zichtbaar)

Vervolg de weg naar links via de Calçada da Gloria.
Hier ligt de Funicular da Glória. Een kabelspoortreintje, meer bezienswaardigheid dan praktisch. Zowel plaatselijke bewoners als toeristen maken er dankbaar gebruik van om zo naar hun hoger gelegen huizen of pensionnetjes terug te keren.
Dit kabelspoor leidt van Barrio Alto, dichtbij het uitkijkpunt São Pedro de Alcântara naar Restauradores.
Men wandelt  naar het plein Praça dos Restauradores. Hier staat een zuil die de overwinning van de Portugezen tegen de Spanjaarden in 1640 moet symboliseren. Op het plein ga je naar rechts en wandelt zo de benedenstad in.

Praça Dom Pedro IV
Dit is een zeer levendig plein waar ook het Nationaal Theater is gelegen. Terrasjes, fonteinen en straatartiesten zorgen voor de gezellige sfeer.

Baixa
Het plein Praça Dom Pedro IV is verbonden door middel van loodrechte straten met een ander groot plein: het Praça do Comércio. Deze straten zijn de belangrijkste winkelstraten van Lissabon.

Elevador de Santa Justa en de wijk Chiado In de Rua do Ouro (straat tussen de 2 pleinen) kan je met de lift 'Elevador de Santa Justa' naar boven. Er is een terras dat je een prachtig uitzicht biedt over de Baixa. Deze lift werd gebouwd door een student van de beroemde Gustave Eiffel.
Chiado is de wijk die aan de andere kant van de Praça do Comércio ligt, tegenover Alfama. Deze wijk werd voor een belangrijk deel verwoest door een grote brand in 1988. Na een lange discussieperiode is er nu een groot winkelcentrum met eromheen een aantal winkelstraten. In deze wijk zijn er ook 's avonds nogal wat gelegenheden waar je naar Fado kan luisteren.

Ik vervolg mijn weg via, Rua Garret, om uiteindelijk uit te komen bij, een lokale gelegenheid voor een lunchpauze.

Mijn weg wordt vervolgd, via smalle straatjes van de Barrio Alta, richting Praça do Comércio.  

Praça do Comércio
Het Praça do Comércio is gesitueerd aan de oevers van de Taag. Voor de Portugezen is dit het mooiste plein van Portugal maar ik mis er de sfeer. Er zijn inderdaad grote en mooie gebouwen maar de gezelligheid is hier ver te zoeken. Dit plein en de loodrechte straten kwamen tot stand na de aardbeving en de daaropvolgende vloedgolf van 1755. Markies Pombal, de belangrijkste minister van de toenmalige koning, was de initiatiefnemer voor de heropbouw van dit totaal vernietigde deel van Lissabon.

Via de Rua da Prata ga je het centrum in om dan rechtsaf te gaan in de Rua da Conceiçao.
Hier is het bijna recht op recht om de klim aan te vatten naar de kathedraal en de burcht. Aan de kathedraal kies je de straat links ervan. Voorbij het uitzichtspunt (Miradouro) volg je de pijlen naar de burchtruïne.

Sé (kathedraal) en de wijk Alfama
In alle toeristische gidsen zie je hem staan: Tram 28. Je kunt hem nemen op het grote plein Praço do Comércio. Daardoor beleef je een unieke rit en bespaar je een serieuze klim. Alhoewel ik voor dit deel van de wijk Alfama toch de voorkeur geef aan een wandeling en die tram liever van de buitenkant bewonder. Op je weg naar boven kom je immers langs de Sé, het Portugees voor kathedraal. Dit Romaanse bouwwerk is niet spectaculair maar toch zeker een bezoekje waard. Naast de kathedraal ligt een kapel met museum ter ere van de heilige Antonius. Deze heilige is afkomstig van Lissabon en wordt hier nog steeds vereerd (terugvinden van verloren voorwerpen).

Wat verderop kom je langs het mooie uitzichtspunt 'Miradouro de Santa Luzia',

Castelo de Sao Jorge
De top van deze heuvel was een strategische plaats en daarom werd er een burcht gebouwd. Van die burcht is er niet zoveel meer over. Het is nu eerder een romantisch plekje met vooral onvergetelijke vergezichten. Op het plein staat een beeld van Alfonso Henriques, eerste koning van Portugal. Vandaag is de burcht gesloten i.v.m. een presentatie.
Mijn bezoek aan Castelo de Sao Jorge zal de volgende dag plaatsvinden.

En waarom haasten, het is een mooie gelegenheid om pauze te houden. Dit doe ik een van de straatjes rond de burcht

Praça da Figueira
Mijn wandeling eindigt op een zeer groot plein van Lissabon. Het monument van koning Juan I is vrij recent (1971) niettegenstaande deze vorst regeerde vanaf 1385. Hij kwam aan de macht na een revolutie van die periode. Je kan dit monument zelfs zien vanaf de Praça do Comércio. Dit groot plein is ontstaan bij de heropbouw van de stad na de aardbeving van 1755, maar was eerst overdekt en deed dienst als openbare markt tot net na de Tweede Wereldoorlog.
In de directe omgeving van mijn overnachtingplaats liggen verschillende restaurants.

Toch wordt mijn keuze voor vanavond een restaurant in de wijk Alfama.

Castello de Sao Jorge

De burchtheuvel, waar de Feniciërs zich al vestigden, was het middelpunt van de ontwikkeling van Lissabon. In de Romeinse tijd stond er al een kasteel. Ook de visigoten en de moren gebruikten deze vestiging, die in de 12e eeuw enkele keren werd verbouwd. In de 16e eeuw woonden de Portugese koningen nog in een deel ervan. De burcht wordt omringd door een middeleeuwse muur met tien torens. Burcht en heuvel ondervonden veel schade van de aardbevingen van 1531 en 1755. Het complex is pas in de jaren 30 van de 20e eeuw gerestaureerd en vormt nu een trekpleister voor toeristen.

website

 
 
 
 

 

 

 

Alfama

Ergens anders is vaak het passeren van een brug voldoende, hier ga je een heuvel over om in een andere geliefde wijk te komen. Op de helling van de heuvel van het middeleeuwse castelo São Jorge liggen de oudste wijken van Lissabon – Alfama, Graça en Mouraria – met een doolhof van kronkelstraatjes en smalle steegjes. Een waar paradijs voor fanatieke stadswandelaars!

Een enkeltje Alfama.
Een uitgelezen kans om de befaamde tram 28 te nemen, die je met veel ouderwets geschommel kriskras door de hellende straten naar het hart van Alfama voert. Dit is de enige wijk die de aardbeving van 1775 en de Expo`98 overleefd heeft.
Met wat geluk tref je nog een oud model in kanariegeel plaatijzer en lichtgekleurd hout, en kun je toch iets meer dan een van je billen op een klein bankje met houten latten kwijt. Hebt alle tijd om te genieten van het koper versierde interieur van de wagon en van de kalmte van de trambestuurders vooraan..

De ziel van Lissabon
Alfama is de ziel van Lissabon. Lange tijd woonden hier de vissers en de zeelui van de stad, en de wijk is duidelijk volks gebleven, met de typische bewoners: kleurrijke matrones, ambachtslui, straatventers, ondeugende kinderen, guitige oudjes die een luchtje scheppen. Het is tevens de oudste en bekendste wijk, en het symbool van het volkse en nostalgische Lissabon.
In de Alfama kan men heerlijk rondzwerven. Bijzonder levendig is het er tijdens de stadsfeesten in de zomer, wanneer men tot laat in de nacht kan genieten van muziek en dans, gegrilde sardines en volop wijn. In de Alfama heeft men eigenlijk geen plattegrond nodig, want het slenteren door de smalle straatjes en over vele trappen is een fantastische belevenis. Overigens kan men zich in Lissabon gemakkelijk orienteren, want men komt altijd wel eens op een hoog punt uit in de heuvelachtige stad. Vandaar ziet m,en dan in elk geval de Taag en de nabije markante bezienswaardigheden, zoals de Sé en het Castelo de São Jorge.
De Alfama is een soort dorp binnen de stad. Auto`s kunnen er niet door de smalle straatjes en het leven op straat speelt zich hier vooral s`avonds af. Overal ziet men woningen die deuren hebben met een aparte boven – en onderhelft. Vaak kan men rechtstreeks de woonkamer inkijken, waar de familie aan het avondeten zit of bij de obligate telenovela. Niemand lijkt zich iets van  de voorbijgangers aan te trekken. In de vensters hangen vogelkooitjes en het gekwetter schalt door de straat: honden en katten liggen slaperig bij de voordeur. Men ziet tal van kleine, sfeervolle winkeltjes, en ook de fado klinkt hier nog min of meer in een authentieke sfeer.

 

Parque Natural do Sudoeste Alentejano e Costa Vicentina

De schitterende kuststrook tussen Sines in de Alentejo en Burgau in de Algarve werd in 1995 uitgeroepen tot natuurpark. De overheid wilde hiermee voorkomen dat de Portugese zuidwestkust ten prooi zou vallen aan projectontwikkelaars. "Algarve-achtige" toestanden moesten worden voorkomen. Het park, met een oppervlak van ruim 60.000 ha land en bijna 30.000 ha zee, is van belang als doortrekgebied en overwinterplaats voor veel vogelsoorten.

Landschap
Het park vormt een lange maar smalle strook langs de Portugese zuidwestkust. Bijna nergens is het breder dan 10 km. Het grootste deel van de kust  bestaat uit steile kliffen met intieme strandjes. Alleen op plaatsen waar een beek of rivier in de oceaan uitmondt zijn de stranden breder. Boven op de kliffen liggen op veel plekken zandduinen.

De kliffen in het westelijk deel van het park hebben een heel ander karakter dan die van de zuidkust. Ten noorden van Cabo São Vicente bestaan de rotsen vooral uit schist. Dit gesteente werd zo'n 350 miljoen jaar geleden gevormd. Toen vormde het gebied de bodem van een ondiepe zee. Klei- en zandafzettingen werden omgevormd tot schist en grauwak (een soort zandsteen). Ongeveer 300 miljoen jaar geleden werden de continenten samengeperst tot een supercontinent: Pangea. Door de enorme druk ontstonden er op het Iberisch schiereiland overal bergketens. Gebieden die onder water lagen werden opgeheven en sterk geplooid. Zo ook de Alentejo. Toen begon de erosie en kreeg het gebied zijn huidige vorm.
Vanaf Cabo São Vicente naar het oosten bestaat de kust uit veel jongere zand- en kalksteen. Deze werd tussen 250 en 100 miljoen jaar geleden gevormd toen een groot deel van de huidige Algarve regelmatig onder de zeespiegel lag.
Het achterland is vlak tot heuvelachtig en op sommige plaatsen zelfs bergachtig. Het hoogste punt van het park is echter slechts 156 meter. Tussen Sines en Cabo São Vicente ligt direct achter de kust een zanderige hoogvlakte. Nog meer landinwaarts liggen hier en daar enkele kleine kustgebergten zoals de Serra do Cercal, Brejeira, Monchique en Espinhaço de Cão. Bij Carrapateira komen de bergen dicht bij zee. Vanaf Cabo Sao Vicente naar het oosten begint de 'Barrocal' met zijn  kalksteenheuvels. Hier krijgt het landschap een meer mediterraan karakter.

Klimaat
Het gebied heeft een mediterraan klimaat met Atlantische invloeden. De winters zijn dus nat en zacht. De zomers zijn droog, maar er is zelden sprake van extreme hitte

Vegetatie
Door de vorm en ligging van het natuurpark is de vegetatie er sterk beïnvloed door de oceaan. Er zijn nauwelijks bossen en in de duinen bovenop de kliffen groeien vooral lage struiken zoals kraaiheide (Empetrum nigrum). Op de hoogvlakte in het directe achterland stond vroeger veel heide. Nu is op veel plaatsen agrarische activiteit (zowel veeteelt als akker- en tuinbouw). Vaak grenst het cultuurland direct aan de klifrand.
Het park is mede in het leven geroepen ter bescherming van enkele bedreigde en uiterst zeldzame plantensoorten. Genoemd kunnen worden: Biscutella vicentina, Diplotaxis vicentina e Hyacinthoides vicentina. Deze komen uitsluitend voor in het uiterste zuidwestelijke puntje van Portugal. Nog zeldzamer zijn de Silene rothmaleri e Plantago almogravensis, Men dacht dat ze uitgestorven waren, maar kort geleden zijn van beide soorten weer enkele populaties aangetroffen.
Verder groeit hier de Myrica faia, een nu zeldzame kleine boom die vroeger veel werd gebruikt als windvang.  Ook zien we hier de peerlijsterbes (Sorbus domestica, die vroeger in boomgaarden werd geplant, maar nu zeldzaam is. Cisteroos (Cistus ladinifer) is er in overvloed. De meer zeldzame kleinere soort, Cistus palhinhae, groeit hier ook.
Geen bescherming behoeft Carpobrotus edulis, een uit Zuid-Afrika afkomstige plant (hottentottenvijg). Dicht bij de kust komt deze vetplant met zijn kleurige bloemen overvloedig voor. In het zuidelijke deel van het park groeien veel agaves (Agave americana), een van oorsprong Amerikaanse plant.

Fauna
In het park leven weinig grote zoogdieren in het wild. Er zijn dassen, wilde katten en otters. Deze laatste zijn soms te zien op stranden en rotsen bij zee. Ze schuilen echter langs de oevers van de beekjes die hier in zee uitkomen. Verstopt in de bossen of dicht struikgewas zitten ook mangoestes oftewel faraoratten (Herpestes ichneumon). Deze roofdieren, inclusief staart soms bijna een meter lang, komen in Europa alleen voor op het Iberisch schiereiland
Het park is van vooral van belang als broed- doortrek- of overwinterplaats voor vele vogelsoorten. Op de rotsen aan de kust broeden de alpenkraai, de blauwe rotslijster en een klein aantal kuifaalscholvers. Ook alpengierzwaluwen broeden hier. Na de zomer vliegen ze naar Afrika om daar de winter door te brengen. Tot voor kort was het park de enige plek op het Iberisch schiereiland waar de visarend broedde. Nu komen ze hier alleen nog langs op doortrek naar Afrika. In oude en vervallen gebouwen zitten gedurende de zomer kleine torenvalken. In de herfst gaan ze weer naar Afrika.
Op het cultuurland in het achterland struinen koereigers tussen het vee. Ze doen zich te goed aan insecten die door de schapen en koeien worden opgejaagd. Op de heidevelden van de hoogvlakte bij Cabo São Vicente zien we in de zomer de kortteenleeuwerik en de duinpieper. Na de broedperiode trekken ze naar Afrika. De kleine kortteenleeuwerik en de kleine trap blijven hier het hele jaar. Even ten westen van Burgau ligt een klein moerasgebied waar in de zomer de woudaap en de kleine en grote karekiet te zien zijn. Ook zij vertrekken in de herfst naar het zuiden. Bijzonder is het Sint Helenafazantje, een zangertje dat oorspronkelijk uit Afrika komt, maar nu permanent in het gebied verblijft.
In het voorjaar en de zomer zwerven er zwarte wouwen rond. Grote kans dat u ook een roodkopklauwier of een cirlgors treft, gezeten op een struik of electriciteitsdraad. Uit noordelijke streken komen hier veel zangertjes op doorreis naar Afrika. Ooievaars zijn er ook in grote getale. Een bijzonder fenomeen zijn de vele ooievaarsnesten op de rotsachtige eilandjes voor de kust

Economie
In het natuurpark liggen liggen een aantal grotere dorpen en stadjes zoals Vila Nova de Milfontes, Zambujeira do Mar, Odeceixe, Aljezur, Vila do Bispo en Sagres. Er wonen in totaal zo'n 25.000 mensen. De belangrijkste bron van inkomsten is het strandtoerisme. Dit heeft echter een betrekkelijk kleinschalig karakter, zeker vergeleken met de kuststrook tussen Lagos en Faro, het centrum van de Algarve. De badplaatsen worden vooral bezocht door Portugezen. De aanleg van stuwmeren in het achterland hebben de productie van maïs en tuinbouwproducten mogelijk gemaakt. Er worden op grote schaal tomaten, sla en aardbijen gekweekt. Ook is er wat veeteelt. Langs de kust is sprake van kleinschalige visserij. Bij de haventjes vindt u altijd wel een restaurant waar verse vis en andere "zeevruchten" kunnen worden gegeten.

 Omgeving

 Portugal Nature Lodge

Portugal Nature Lodge bevindt zich in het Parque Natural do Sudoeste Alentejano e Costa Vicentina dat zich uitstrekt van Sines in het noorden tot aan Sagres in het uiterste zuidwestpuntje van de Algarve. In het park zijn prachtige wandelingen en mountainbiketochten te maken, zowel langs de ruige kust van de zuidwest Alentejo als door de heuvels in de omgeving. De landschappen zijn zonder uitzondering mooi en zeer divers.

Zambujeira de Mar - Entrada da Barca - Praia de Tonel - Zambujeira do Mar (12 km)

Begin- eindpunt: Kerkje in Zambujeira, gelegen op de klifrand aan noordkant strand.
Bron: Wandelen in Portugal

 

 

Algarve - Albufeira

Een week met mijn dochter, schoonzoon en kleinkinderen in Aparthotel Alfagar, Santa Eulália.
Als Hoogtepunt voor de kleinkinderen: Zoomarine, een paar kilometer van Albufeira

Praia da Marinha wordt beschouwd als het mooiste strand van de Algarve. Het werd al diverse keren uitgeroepen tot één van de mooiste ter wereld. Praia da Marinha betekent 'Strand van het Leger', waarom is niet helemaal duidelijk. Dit strand kent talloze fraaie steile rotsen en kliffen, maar ook zo'n beetje het meest heldere water van heel Portugal. Mede daarom wordt dit strand veel gebruikt in advertenties van zowel de streek als huizenverkopers. Het strand ligt bij het stadje Lagoa.

Van Troviscais, Portugal Nature Lodge, via Odemira naar Aljezur.
Afbuigend via de Serra Monchique richting Monchique, Fóia en hierna richting Silves.

Monchique

Slechts 25 km verwijderd van Portimão is de hoofdstad van de Serra een groot bergdorp met lieflijke trapstraatjes en een mooie kerk in Manuelstijl. Het is ook het gebied voor volksnijverheid en met producten met ingrediënten uit de bergen. Een tweede toegangsweg maakt rechtstreeks verbinding met Aljezur, waardoor schitterende stranden van de Vicentijnse kust slechts 30 km verderop liggen.

Fóia 8 km  van Monchique
De weg klimt omhoog door een woud van eucalyptus en naaldbomen dat geleidelijker dunner wordt en tenslotte verdwijnt. Uiteindelijk kom je op het hoogste punt van de Serra de Monchique(902m) dat kenbaar wordt gemaakt met een kleine obelisk, behoorlijk bescheiden van vele zendmasten. Hier kun je niet overvallen worden door eenzaamheid, de bestemming is opgenomen in alle toeristische gidsen

Silves

Elegant gelegen op een heuvel naast een rivier, 15 km ten noordoosten van Portimao en 40 km van Lagos. Silves is de moeite van een omweg waard bij de ingang van het achterland dat nog buiten het bereik van de excessen van het massatoerisme ligt. Het is duidelijk dat de kronkelende straatjes en witte huizen niet van enige charme gespeend zijn, maar nog noemenswaardiger is het feit dat deze stad de hoofdstad was van het machtige Moorse koninkrijk van de Algarve. Tegenwoordig moet je haast archeoloog zijn om dat te kunnen opmerken, omdat christenen de twintig moskeeën in de stad hebben verwoest en meer dan 500 jaar islamitische aanwezigheid hebben vernietigd tijdens de herovering aan het begin van de 12de eeuw. De stad Xelb, een echte rivaal van Lissabon, verdween eveneens. In haar hoogtijdagen verwelkomde ze een van de meeste schitterende hoven van het islamitische Westen. Vanwege zijn strategische ligging ontsnapte het indrukwekkende Al Hamra dat nog hoog uitsteekt boven Silves. Hier en daar zijn nog wat resten van vestingmuren te vinden.